Delphi 19 | April 2004

De bange maatschappij

Afscheid van tolerantie

In de VIP-room bij een congres de jongens van Glen Mills. In tijden niet zulke aardige, voorkomende jongens meegemaakt. ‘Het spijt me, zou ik even voor u langs mogen?’ Een sprookje? Maar toch, wat als ik ‘nee’ had gezegd ?
Deze jongens behoren tot een elite, bedenk ik. Een gebouw verder op het terrein de opvang voor degenen die niet door de selectie voor Glen Mills zijn gekomen. Tja, wat betekent dat voor de onderzoeksresultaten?
Het principe van Glen Mills en Den Engh is dat van totalitaire instituties, het ontnemen van persoonlijkheid, drillen. Tot voor kort keken we vol huiver naar dergelijke praktijken. Nu vinden we ze het ei van Columbus. Maar totalitaire opvoeding werkt alleen in een totalitaire maatschappij, en dan nog gaat de kruik zo lang te water tot zij barst.
Ze leren regels, ze passen ze toe, maar dan moeten de anderen ook die regels volgen. Wat als over een tijd een exces gerapporteerd wordt van een man die vroeger op Glen Mills woonde? Dan zeggen we dat het te verwachten was, want dat is de les die we geleerd hebben van dictators, van totalitaire regimes, van dominante vaders.
Afwijkende opvoeders als de antroposofische instituten hebben uitstekende resultaten bij hun zwaar beschadigde pupillen zolang ze binnen antroposofische muren blijven. De vertaling naar de maatschappij is bij hen niet zo nodig. Ze blijven hun kinderen trouw: wonen, werken en gezinsopvang in antroposofische sfeer. Maar dat geldt niet voor de jongens van Glen Mills. Alleen daar heerst een totalitair klimaat, nergens anders.

Glen Mills is het antwoord van een kortzichtige, bange en moedeloze maatschappij op het ontsporen van jongens. Als er meer jongens ontsporen dan vroeger, dan moeten we iets aan die maatschappij doen. We kunnen de jaren zestig failliet verklaren, maar we moeten niet de baby met het badwater weggooien: de lessen over totalitaire instituties logen er niet om. Het (machts)misbruik binnen en buiten de muren is enorm.
We passen dit regime niet toe op jonge vrouwen in de WAO, want we beseffen dat dit mensonterend is. Deze oplossing kiezen we alleen voor onze stoute kinderen. En die grijpen het aan; ook stoute kinderen willen gewoon een aardig kind zijn. Dát zouden we door moeten door hebben en op die leest een methode ontwikkelen. De generaliseerbaarheid van intern ontwikkeld gedrag is bovendien veel groter. Het is niet verwonderlijk dat de onderzoeksresultaten van Glen Mills en Den Engh niet spectaculair beter zijn dan die van andere hulp. Iedere hulp werkt in noodsituaties, de vraag is alleen hoe lang en hoe diep.

           

Martine F. Delfos