Delphi 2 | Juli 2002 

Over criminaliteit en Marokkaanse jongeren

Aangevreten zelfbeeld

Ik ben eens overvallen door twee Marokkaanse jongens. Zij op een scooter, ik op de fiets. Ze probeerden mijn laptop weg te rukken, nog toen ik van de fiets was geslingerd en vastgeklemd lag in een wiel. Vanaf de grond keek ik de overvaller in zijn lege, stoned ogen. Hij greep voor de derde keer naar mijn laptop. Liggend op de grond zei ik rustig maar beslist: ‘Nee!’ Met een gevoel van ‘Zoiets doe je niet’. Hij liet los. Het kalme beroep op waarden en normen sloot blijkbaar aan bij iets diep binnen in hen verborgen. Ze vertrokken. Het duurde nog even voordat ik me los kon maken uit mijn fiets, terwijl het – Nederlandse – verkeer naast me doorraasde.

Hoe bijzonder de ervaring voor mij ook was, ik ben me bewust dat het een standaardverhaal is. We mogen inmiddels de criminaliteit onder Marokkaanse jongeren benoemen, maar de oplossing is nog niet nabij.

Waar hebben we het over? Marokkaanse jongeren? Nee, geen jongeren, maar jongens. Meiden uit dezelfde gezinnen doen het uitstekend: hoog opgeleid en met een goede baan. Het tast het ego van hun broers diep aan. Het zijn bovendien niet àlle Marokkaanse jongens: het is een kleine, lastige groep van waarschijnlijk zwaar blowende jongens. Dat blowen levert de noodzakelijke onverschilligheid op om van criminaliteit je dagelijkse bezigheid te kunnen maken.

De problematiek bij Marokkaanse jongens is complex, maar één bodemoorzaak wil ik hier belichten. De meeste eerstegeneratie-Marokkanen zijn afkomstig van de Rif, een analfabeet gebied. De inmiddels in Nederland hoog-ontwikkelde Marokkaanse dochters willen geen blowende Marokkaanse partner en de jongens huwen een nieuw analfabeet meisje uit Marokko. En alles begint weer van vooraf aan, verversing van de eerstegeneratieproblematiek.

De as van de Marokkaanse opvoeding is de vader-zoon relatie. De vader ziet zijn zoon echter op 7-jarige leeftijd probleemloos lezen en schrijven en hemzelf lukt dat niet. Hij voelt zich dom, niet wetende dat de hersenen na de leeftijd van 10 jaar nauwelijks openstaan voor alfabetisering. De vader schaamt zich en dit vreet aan zijn zelfbeeld. Hij voelt zich minderwaardig aan zijn eigen zoon. Hoe kan je gezagsdrager zijn als je je niet gezagswaardig voelt?

Als het analfabetisme niet doorbroken wordt, bouwen we op drijfzand. Maar het doorbreken moet wel bij de bron beginnen. Ontwikkelingswerk op de Rif dan maar?

  

Martine F. Delfos