Theorieën, concepten en modellen van Martine Delfos

Door: Norbert Groot

Martine Delfos is werkzaam als wetenschapper, wetenschappelijke onderzoeker, therapeut, docent, schrijfster en vertaalster. Gedurende haar leven heeft ze vele theorieën, modellen en concepten ontworpen. Dat is een logisch voortvloeisel van de wijze waarop zij fundamenteel menselijk, en wetenschappelijk de dingen wil begrijpen en altijd start vanuit ‘niet begrijpen’. Wanneer je met haar samenwerkt ervaar je dat ze in feite alles met alles kan verbinden, steeds logische stappen zet en daardoor paradoxaal genoeg slechts met één, overkoepelend, idee bezig is; vaak blijft, door de logica,  dan het gevoel achter van ‘hoe zou het anders moeten zijn’.

Prof. Jan van den Bout, Emeritis Professor Gezondheidskunde van de Universiteit Utrecht, zei in een artikel in het NRC (20-11.2004): Wat een intellect, maar klopt het wel wat ze allemaal zegt? Haar eigenzinnige uitstraling roept weerstand op. Maar als je je erin verdiept, blijkt dat wat ze doet altijd erg goed onderbouwd is. Delfos is gewoon een superintelligent psycholoog en een zeldzame uomo universale die ongewoon goed verschillende wetenschapsgebieden kan integreren. Dat vermogen is een verademing in een tijd dat alles altijd maar volstrekt empirisch moet zijn en theoretische integratie wordt verwaarloosd.

En Prof. Dick Swaab schreef in het voorwoord van haar medische boek over het immuunsysteem: Martine Delfos is een van die uitzonderlijke mensen die in een zeer vroeg stadium van haar carrière met succes bruggen ging bouwen tussen de gebieden psychologie, geneeskunde en neurowetenschappen. Ze was lange tijd een van de weinige psychologen die echt geïnteresseerd was in neurobiologie. Ze is wetenschapper van beroep, maar ondersteunt haar wetenschappelijke inzichten als klinisch psycholoog en therapeut. Zoals ze zegt: ‘Een wetenschapper heeft het nodig in het echte leven geconfronteerd te worden met zijn fouten.’ Martine contacteert me een paar keer per jaar met diepgaande biomedische vragen. Haar vragen hebben altijd betrekking op een heel ander onderwerp, zijn nooit gemakkelijk te beantwoorden en zijn altijd origineel en dwingen me om een ​​probleem op een nieuwe manier te bekijken.

Zelf werk ik al zo’n twintig jaar samen met Martine Delfos en in die periode heb ik veel theorieën, modellen en concepten geboren zien worden. Uit ervaring weet ik hoe ze uniek in het brein van Martine Delfos ontstaan. Ik heb me voorgenomen om een biografie over haar te schrijven. Om dat te kunnen doen, is het niet alleen nodig om haar en haar werk te kennen, maar ook het werk van de belangrijke mensen uit de geschiedenis. Om te ontdekken wat het bijzondere is van wat Martine Delfos nu eigenlijk precies doet, hoe ze dat doet en wat haar drive is, lees ik talloze biografieën van onder meer Isaac Newton, Charles Darwin, John Bowlby, Marie Curie, Pythagoras en vele anderen.

Theorieën en modellen worden ontwikkeld vanuit een inductief én deductief proces. Een theorie overstijgt de bestaande kennis (inductief) en legt verbanden, waardoor toetsbare voorspellingen mogelijk worden (deductief). Wanneer de voorspellingen uitkomen wordt de theorie ondersteund. Zo voorspelde Einsteins relativiteitstheorie de buiging van het licht door het zwaartekrachtveld van de zon; in een proef werd dit exact gevonden. De theorie van het Socioschema met de MAS1P, het gedachtegoed van Martine Delfos op het gebied van ASS/ATO/de Denkers voorspelt ontwikkeling op alle gebieden bij mensen met een, voorheen, diagnose autisme. Op de gebieden van ‘Centrale Coherentie’, ‘Theory of Mind’ en ‘Executieve functies’, dé gebieden waarop oude theorieën uitgaan van een stoornis en geen ontwikkeling verwachten, blijkt uit onderzoek wél ontwikkeling, zelfs zodanig dat verschillen tussen mensen met ASS en mensen zonder ASS op latere leeftijd niet meer significant zijn. Meer theorieën van Martine Delfos worden hierdoor (nu al) ondersteund door wetenschappelijk onderzoek, zonder dat dit onderzoek daar specifiek op gericht was. Dat wil zeggen onafhankelijke onderzoeken zonder enige belangenverstrengeling.

Wetenschappers proberen verschillende theorieën met elkaar in verband te brengen. Dat is logisch, want alhoewel we in een complexe werkelijkheid leven die we niet in zijn geheel kunnen overzien, streeft de mensheid naar overzicht en bewegen we ons binnen het kader van één werkelijkheid waarin alles met alles samenhangt. Natuurkundigen proberen vanuit dat idee de algemene relativiteitstheorie te verbinden met de kwantumtheorie, immers de kleinste deeltjes maken deel uit van dezelfde werkelijkheid als de grootste objecten. Er moet een relatie zijn tussen het gedrag van het kleinste en van het grootste, maar natuurkundigen weten nog niet hoe. De modellen en theorieën van Martine Delfos zijn allemaal met elkaar verbonden en spreken elkaar op geen enkel punt tegen; in tegendeel, ze vullen elkaar aan. De verschillende angstmodellen passen naadloos in het model van het Socioschema; en natuurkunde en scheikunde worden verbonden met het denken en gedrag. Een cursist noteerde eens de gebieden die tijdens een cursus aan bod kwamen. Hij kwam tot de volgende, toch wel indrukwekkende lijst: psychologie, geschiedenis, statistiek, natuurkunde, immunologie, biologie, linguïstiek, literatuur, poëzie, antropologie, cultuur, genetica, pedagogiek en chemie. De modellen die Martine Delfos ontwikkelde zijn talrijk. Toen we het er eens over hadden dat er een aantal op haar website stonden en ik haar vroeg hoeveel dat er waren, zei zij spontaan dat het er wel 33 waren, ik telde ze op dat moment op en kwam op het dubbele uit: 66. Inmiddels is de lijst weer langer en zal naar verwachting steeds aangevuld worden, zo lang ze leeft.

De geschiedenis kent vele theoriemakers. Sommige van hen werden al tijdens hun leven erkend. Dat geldt bijvoorbeeld voor Isaac Newton (1643-1727), grondlegger van de klassieke mechanica, de drie wetten van Newton en de zwaartekrachttheorie; voor Charles Darwin (1809-1882), die de evolutietheorie ontwikkelde en voor John Bowlby (1907-1990) die de hechtingstheorie uitwerkte. Hun theorieën werden zeker niet zonder slag of stoot ontvangen en hun werk werd en wordt niet altijd goed begrepen en zelfs verkeerd geïnterpreteerd, maar al tijdens hun leven werd hun werk door (een gedeelte van) de wetenschappelijke gemeenschap besproken, bediscussieerd en geaccepteerd. Daardoor konden zij hun werk ook dieper uitleggen, waar nodig verfijnen of bijstellen en eventueel laten zien waar de zwakke plekken zaten.

Anders verging het Nicolaus Copernicus (1473-1543) die het heliocentrische model van het universum opstelde, waarbij de zon en niet de aarde in het centrum van de toen bekende planeten en sterren werd geplaatst. Een model dat we in de kern nog steeds als het juiste beschouwen, maar in zijn tijd durfde hij het pas aan het einde van zijn leven te publiceren, vanwege de kerk en dan nog slechts als een theoretisch model, niet als een model dat de werkelijkheid zou beschrijven. Bijna honderd jaar later wacht Galileo Galilei (1564-1642) een vergelijkbaar lot. Hij was overtuigd van het gelijk van Copernicus en bewonderde hem, omdat Copernicus tot het heliocentrische model was gekomen met veel minder meetgegevens dan hijzelf tot zijn beschikking had; onder andere door de enorme vooruitgang die was geboekt met (lenzen van) verrekijkers. Galileo kon daardoor manen zien die rondom Jupiter draaien, het reliëf op de maan en schijngestalten van Venus, allemaal ondersteunend voor het heliocentrische model en het geocentrische wereldbeeld verder verzwakkend. Galileo schreef er een boek over ‘Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen’, waarin hij scherp de zwakte van het geocentrische model en de kracht van het heliocentrische model verwoordt. Dit was tegen het zere been van de toenmalige Paus die Galileo liet vervolgen en de uitkomst van het proces was ‘levenslang huisarrest’. Galileo werd de mond gesnoerd. Vijftig jaar later werd door het werk van Isaac Newton het heliocentrische model verder ondersteund. Galilei’s naam werd 359 jaar later gezuiverd door paus Johannes Paulus II die in 1992 excuses uitsprak.

De geschiedenis laat zien dat het niet gemakkelijk is om het werk van wetenschappers, in hun eigen tijd, op waarde te schatten. En wanneer ze na hun dood verkeerd begrepen of geïnterpreteerd worden, kunnen ze dat zelf niet meer herstellen. Over Martine Delfos zeggen wetenschappers dat haar werk pas meerdere eeuwen na haar dood bekend zal worden. Persoonlijk lijkt me dat een realistische en tegelijkertijd pijnlijke inschatting. Haar enorme drive betreft de mens; vooral mensen in nood. Het verschil dat zij maakt, is fundamenteel, regelmatig een verschil tussen leven en dood. Hoe ingewikkeld en belangrijke natuurkunde of scheikunde ook zijn, bij het begrijpen van de mens spelen meer factoren dan op ieder ander wetenschappelijk terrein; medisch, psychologisch, biologisch, evolutionair, gedrag, man-vrouw verschillen en overeenkomsten, en meer. Het enorm omvattende gedachtegoed van Martine Delfos is niet makkelijk uit te leggen, niet makkelijk te begrijpen en wel makkelijk verkeerd te interpreteren. Degene die dat het beste kan uitleggen is zijzelf. Nog steeds breidt haar inzicht uit. Dat is opvallend. De meeste grote wetenschappers uit de historie deden één onderwerp of één klasse van onderwerpen, waarbij ze meestal voor hun dertigste een theorie uitwerkten en daar de rest van hun leven verder aan bleven werken. Dat is indrukwekkend genoeg en het is ook te begrijpen dat ze daarna niet verder kwamen dan hun eigen theorie, zo sterk is hun denken daar op gericht geraakt. Het is niet gemakkelijk om dit op te schrijven, want het kan geïnterpreteerd worden alsof ik hun werk niet groots vindt, maar dat is niet zo, ik vind het bijzonder indrukwekkend.

Maar ik heb het nodig om te kunnen schrijven dat ik denk dat het bij Martine Delfos anders ligt, dat zij verder gaat dan dat: haar denken gaat onverminderd, zuiver door, steeds rijker door meer ervaring, van aan elkaar verbonden, zich opstapelende en uitbreidende inzichten. Mogelijk vergelijkbaar met Leonardo da Vinci, die zich in een grote verscheidenheid aan gebieden ook steeds verder verdiepte.

Daarbij hanteert Martine Delfos het principe dat de waarheid meervoudig is; niet te verwarren met dat er meer waarheden zijn. Dit laatste is weliswaar mogelijk in die zin dat we niet alles weten, maar vanaf het moment dat een nieuwe waarheid aan het licht komt, kan deze ingebed worden in wat we al weten. Het betekent dat zij niet in gevecht gaat met de waarheid van een ander, maar de ander juist uitnodigt om zijn of haar perspectief uit te leggen, waardoor verschillende perspectieven of waarheden complementair worden en er een diepere waarheid zichtbaar wordt. Een mooi voorbeeld daarvan is de kleurenblindheidstest. Wanneer je kleurenblind bent, dan zie je uit de verschillende stippen een ander cijfer opdoemen, dan wanneer je niet kleurenblind bent. De één ziet bijvoorbeeld een 6 en de ander ziet een 5. Beiden hebben gelijk, het is allebei waar, en de diepere waarheid is dat wat je ziet een interpretatie is van de werkelijkheid, niet de werkelijkheid zelf. Net zoals bijen de wereld anders zien en ervaren dan mensen, bij baby’s de wereld via de zintuigen anders binnenkomt dan bij volwassenen en honden de wereld sterk olfatisch waarnemen, waar mensen, die sterk visueel zijn georiënteerd moeilijk een beeld bij kunnen krijgen, terwijl mensen met een visuele beperking dat vaak beter kunnen.

Wetenschappers bestrijden soms elkaars ideeën. Dat was het geval bij Isaac Newton (1643-1727), die al tijdens zijn leven werd erkend en geridderd en aldus als Sir Isaac Newton door het leven ging en zijn tijdgenoot Robert Hooke (1635-1703). Hooke dacht, in navolging van Christiaan Huygens (1629-1695), dat licht zich als een golf voortbeweegt door een medium. Hij deed allerlei experimenten die de golftheorie van het licht ondersteunden. Newton daarentegen dacht dat licht een deeltje was en vond daarvoor bevestiging in de experimenten die hij deed. De discussie in die tijd, waar ook andere wetenschappers bij betrokken waren, leidde pas in de 20e eeuw door de opkomst van de kwantummechanica tot een dieper inzicht: licht heeft zowel een deeltjeskarakter (fotonen) als een golfkarakter, wat sinds die tijd de dualiteit van licht wordt genoemd.

Ik vermoed dat Martine Delfos niet in zo’n strijd verwikkeld zou raken, maar door haar ‘aanpak’ van de meervoudige waarheid, relatief snel de diepere waarheid zou ontdekken. Ze lijkt niet voorbarig te zijn in haar conclusies, integendeel, soms lijkt een onderwerp al duidelijk voor anderen, terwijl zij dan doorgaat met vragenstellen, hetgeen soms bevreemdend overkomt, totdat ze het echt begrijpt, waarbij de uitkomst niet zelden anders is dan anderen eerder dachten. Dat roept mogelijk de weerstand op, waarover Prof. Jan van den Bout sprak.

Haar onderwerp is de mens, een onderwerp waarbij je als mens, wetenschapper en therapeut minder dan welk ander onderwerp ook, fouten kan permitteren. En tegelijkertijd een onderwerp, waarbij de drive om het goede te doen enorm groot is. Bij geen enkel onderwerp is het aantal parameters waar je rekening mee moet houden, zo groot als bij de mens. En tot slot is er geen enkel onderwerp waar de waarnemer zoveel invloed heeft op de waarneming, als bij een mens die in interactie staat met een ander mens. In situaties waarin mensen in grote en complexe nood waren, daar waar anderen het opgeven, heb ik menigmaal mogen meemaken dat Martine Delfos deed wat nodig was en de persoon in nood vanuit menselijkheid, inzicht, overzicht, kennis en ‘weten’, stap voor stap uit de nood wist te halen.

8 december 2025

Ga naar de inhoud