Delphi 15 | November 2003 

Over emancipatie

Demancipatie

Na een halve eeuw de verschillen tussen jongens en meisjes ontkend te hebben, mogen we weer erover praten. Het mocht daarvoor ook wel trouwens, graag zelfs, maar dan wel om te verkondigen dat de opvoeding ervoor zorgde dat jongens en meisjes zich verschillend gingen gedragen.

Moeten we dat nu als jaren van verlies zien? Nee, als we kijken naar de oorsprong is deze emancipatoire puberteit nodig geweest. Eeuwenlang was het voor vrouwen niet mogelijk om zichzelf te ontwikkelen. Ze hadden er ook geen tijd voor want vóór het geïndustrialiseerde tijdperk was het hard werken als moeder van een gezin met een paar kinderen. Toen de industrialisatie tijd bood, zetten vrouwen zichzelf meteen op de wereldagenda. Om hun kansen te vergroten voerden ze een kunstgreep uit: vrouwen zijn hetzelfde als mannen; er is dus geen enkele reden om hen rechten te onthouden. Zelfs in de mode werd het getoond: uniseks. Het werkte, vrouwen kregen de kans zich te ontwikkelen. Het ego van de man groeide door vrouwen een kans te geven. Inmiddels komt hij van een koude kermis thuis, want de vrouw presteert in alle vormen van onderwijs beter dan de man. Zijn revanche is krachtig: toch de baas zijn op het werk en thuis op de bank uitpuffen.

Emancipatie moet daarom een andere grondslag krijgen: we zijn verschillend, maar gelijkwaardig. Te beginnen met de jongens en meisjes. Tegenwoordig mogen de verschillen weer benoemd worden. Het risico is groot dat dit leidt tot een nieuwe vorm van demancipatie, een emancipatie die in feite een teruggang betekent, waarbij de onderdrukking alleen een
nieuwe vorm aanneemt. De nieuwe valkuil is dat álles aan aanleg wordt geweten. We zien dat al in de overkill aan diagnoses bij kinderen – er is geen normaal kind meer te bespeuren. De denkfout die gemaakt wordt is dat we al het gedrag aan aanleg wijten nu we weer mogen denken over aanleg.

Opvoeden tot zelfstandigheid betekent beslist niet dat we gedrag statisch moeten maken en ons moedeloos bij verschillen moeten neerleggen. De hersens moeten wel op ‘aan’ blijven staan: oké, jongens en meisjes zijn
verschillend, maar waarom zijn ze ook zo vreselijk hetzelfde? De overeenkomsten zijn nog steeds groter dan de verschillen. Misschien is de tijd rijp om te erkennen dat we er niet vreselijk veel van begrijpen en dat ieder mens opnieuw gekend moet worden.

        

Martine F. Delfos